Voor thuisgebruik zijn er in Nederland geen wettelijke regels die precies voorschrijven in welke ruimte een thuisbatterij moet staan. De plek bepaal je dus vooral op basis van brandveiligheidsadvies, de eisen van je verzekeraar en de handleiding van de fabrikant.

Goede plekken

  • Een garage, schuur, berging, bijkeuken of technische ruimte, bij voorkeur op de begane grond.
  • Tegen een stevige wand die niet brandt, zoals steen of beton.
  • In een droge ruimte die geventileerd wordt en binnen het temperatuurbereik van de fabrikant blijft. Vaak is dat ongeveer 0 tot 35 °C. Zet de batterij dus niet in de volle zon en niet waar het kan vriezen.
  • Hang er een rookmelder bij.

Plekken om te vermijden

  • Vluchtroutes zoals de hal, de trap en de overloop. Bij brand moet je er veilig langs naar buiten kunnen.
  • Slaapkamers en woonkamers.
  • De meterkast.
  • Zolders. Een brand wordt daar laat opgemerkt en is lastig te blussen.
  • Tegen hout of andere brandbare materialen. Sommige verzekeraars sluiten dat zelfs uit van dekking. Houd ongeveer 50 cm afstand tot brandbare spullen.

Wat wel verplicht is of sterk aangeraden wordt

  • Een vaste batterij die op de meterkast wordt aangesloten, moet voldoen aan de installatienorm NEN 1010. Denk aan een eigen groep met aardlekbeveiliging. Laat dat door een erkende installateur doen.
  • Meld de batterij bij je verzekeraar. Doe je dat niet, dan kan de verzekeraar weigeren uit te keren bij schade.
  • Volgens een van de bronnen moet je de batterij vanaf 1 juli 2026 ook melden bij je netbeheerder via energieleveren.nl Vraag het na bij je installateur of netbeheerder.
  • Een omgevingsvergunning is voor een gewone thuisbatterij normaal niet nodig.

Controleer ook de polisvoorwaarden van je eigen verzekeraar. Die eisen kunnen per maatschappij verschillen en gaan soms verder dan het algemene advies.